EEN LEUK VERHAAL OVER HET BELGISCH TREKPAARD

HET BELGISCH TREKPAARD






Bij het horen van het woord trekpaard gaan mijn gedachten automatisch terug naar mijn jeugdjaren, naar de tijd van de korte jongensbroek en mijn landelijke geboortedorp. 


Een tijd waarin schoolgaande kinderen nog gewoon te voet naar de gemeenteschool gingen. Geen mama- of papataxi, geen schoolbus en al helemaal geen smartphone om te laten weten waar we uithingen. Wij hadden twee benen en die moesten ons naar school brengen.

Onze weg liep langs kleine veldwegeltjes en door een stukje bos. En daar, in een weiland naast dat bos, stond regelmatig een indrukwekkend dier te grazen: een Brabander.

Voor alle duidelijkheid: ik heb het hier niet over Toon Hermans, hoewel die óók een Brabander was en eveneens een man van formaat. Nee, wij hadden het over een Brabander op vier benen. Want bij een paard spreekt men niet over poten. Dat zijn benen. Dat leer je blijkbaar vanzelf wanneer je als kleine jongen met bewondering naar zo'n kolos staat te kijken.

En een kolos was het.

Met vaste tred bewoog hij zich door de wei. Af en toe keek hij eens op naar die kleine gasten aan de draad die hem stonden te begluren, alsof hij zich afvroeg wat wij daar nu weer stonden te doen. Daarna ging hij rustig verder met zijn dagelijkse bezigheid: gras eten.

Geen stress, geen deadlines, geen vergaderingen en geen mails die dringend beantwoord moesten worden. Gewoon gras eten en af en toe eens rondkijken. 


Wat mij als kind vooral opviel, was zijn staart. Of beter gezegd: zijn korte staart. Ik vroeg mij af waar de rest gebleven was. Was hij die onderweg kwijtgeraakt? Had hij misschien ergens achter een haag blijven haken?

Vandaag weten we natuurlijk dat het om het zogenaamde blokstaarten ging. In die tijd, vermoedelijk ergens in de jaren zestig, werd de staart van veel landbouwpaarden ingekort om te voorkomen dat die in het leidsel of landbouwmateriaal terechtkwam. Vandaag kijken we daar uiteraard anders naar. Sinds 2001 is het couperen van paardenstaarten verboden, behalve wanneer daar een medische reden voor bestaat.

Maar als kleine jongen dacht ik daar allemaal niet zo diep over na. Ik zag gewoon een geweldig groot paard met een merkwaardig klein staartje.

En dan was er natuurlijk Willem Vermandere.

In 1971 was “Blanche en z’n peird” een echte klassieker op de radio. Het nummer werd vooral door de commerciële radiozenders grijs gedraaid. Vermandere was een authentieke persoonlijkheid, een zanger en kunstenaar die perfect paste bij het beeld van dat stoere trekpaard uit mijn jeugd.

Zijn woorden over snelheid en comfort waren eigenlijk een mooie levensles: het gaat niet altijd om de snelheid en evenmin om het comfort van een sjieke slee. En dan klinkt het onvergetelijke:

“Djuk, djuk, jou djuk mijn peird!”



Dat paste wonderwel bij die Brabander die daar rustig door de wei stapte. Die had geen haast. Hij wist blijkbaar al lang dat ge ook vooruit kunt gaan zonder voortdurend op uw gaspedaal te duwen.

Maar mijn mooiste herinneringen aan de trekpaarden dateren van de woensdagnamiddag. Toen was er geen school en hadden wij als kwajongens in korte broek tijd om op avontuur te gaan. En als we onderweg naar huis geluk hadden, kwamen we de bierhandelaar tegen.

Wij waren uiteraard niet geïnteresseerd in bier. Daar waren we veel te jong voor. Maar de bierkar, daar waren we wél in geïnteresseerd.

Soms mochten we bij Henry vooraan op de bok plaatsnemen. Voor ons was dat pure kermis. Daar zaten wij dan, helemaal vooraan, met twee machtige Brabanders voor ons en een volle kar bier achter ons.

Die paarden stapten onverstoorbaar verder. Een volle bierkar? Geen probleem. Een helling? Ook geen probleem. Ze trokken de hele handel vooruit alsof het niets woog.

Wij keken met grote bewondering naar die twee paarden. Wat waren die indrukwekkend! Twee enorme lijven, vier stevige benen, een machtige achterkant en ergens daarachter een staart. Of wat er nog van over was.


Mocht Willem Vermandere daar op dat ogenblik hebben rondgelopen, dan had hij wellicht gezegd:

“Kom kijken, want ’t is ’t kijken waard: het schoonste op de wereld, Blanche, het peird en een karre.”


En voor ons was dat inderdaad zo. Vandaag zouden kinderen misschien achteraan in de bierkar een filmpje maken met hun smartphone. Wij hadden geen smartphone nodig. Wij zaten gewoon op de bok en genoten van de rit door de dorpsstraat.

Achteraf bekeken was dat misschien wel onze versie van een pretpark.


Maar hoe zit het nu eigenlijk met die Brabander en het Belgisch trekpaard?

Het gaat om zware landbouwpaarden en verschillende streekvarianten, waarbij onder meer verschillen bestaan in bouw, gewicht en vachtkleur. Voor de echte kenners komen dan natuurlijk ook het stamboek en allerlei andere kenmerken ter sprake.

Zo'n Belgisch trekpaard heeft een schofthoogte van ongeveer 1,70 meter, een krachtig maar eerder klein hoofd, een zware nek met vaak een dubbele manenkam en vooral een bijzonder sterk ontwikkelde achterkant. De benen zijn relatief kort en stevig en rond de kootgewrichten bevindt zich een flinke beharing.

Het is dus niet meteen het type paard dat ge zou inschrijven voor een balletwedstrijd.

En dan zijn er nog de termen koudbloedras en warmbloedras. Voor een leek allemaal interessante informatie, maar als ge vroeger naar zo'n paard stond te kijken, was de belangrijkste vaststelling toch veel eenvoudiger:

“Dat is hier een serieus groot peird.”


Het Belgisch trekpaard was bovendien veel meer dan alleen maar een indrukwekkend dier om naar te kijken. In het begin van de twintigste eeuw werden duizenden trekpaarden uitgevoerd naar verschillende Europese landen, maar ook naar de Verenigde Staten, Canada en Rusland.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het Belgisch trekpaard opgeëist voor zware transporten. Veel dieren kwamen daarbij terecht in bijzonder moeilijke en gruwelijke omstandigheden en velen overleefden de oorlog niet.

Gelukkig kreeg het trekpaard later opnieuw een plaats in veel aangenamere omstandigheden. Denk maar aan de bekende garnaalvissers te paard in Oostduinkerke, waar de paarden nog altijd een bijzondere rol spelen in de paardenvisserij.

Ook in Hakendover zijn de trekpaarden jaarlijks van de partij tijdens de bekende paardenprocessie. En op heel wat jaarmarkten zijn ze nog altijd een echte publiekstrekker. Zet ergens een trekpaard en binnen de kortste keren staat er volk rond. Het blijft indrukwekkend om zo'n dier van dichtbij te zien.

Vandaag is het trekpaard natuurlijk niet meer de onmisbare kracht op de boerderij die het vroeger was. De tractor heeft zijn plaats ingenomen. Een tractor kan meer trekken, sneller rijden en waarschijnlijk ook beter achteruit parkeren.

Maar een tractor heeft geen manen, geen staart en vooral geen karakter.

Het trekpaard is daardoor langzaam geëvolueerd van een onmisbare werkkracht naar een stukje levend erfgoed. Er bestaat een museum van het Belgisch trekpaard en zelfs een Koninklijke Maatschappij Het Belgisch Trekpaard.

En eigenlijk is dat maar goed ook.


Want als ik vandaag terugdenk aan dat kleine manneke in korte broek dat elke dag naar school stapte, langs het veld en door het bos, dan besef ik dat ik toen naar veel meer stond te kijken dan naar zomaar een paard in een wei.

Ik wist toen niets van stamboeken, koudbloedrassen, exportcijfers of de geschiedenis van het Belgisch trekpaard. Ik vroeg mij alleen af waarom dat paard zo'n korte staart had.

Ik wist ook niet dat duizenden van die paarden ooit naar andere landen zouden vertrekken en dat hun geschiedenis verweven was met de landbouw, de oorlog en het dagelijkse leven van onze voorouders.

Ik zag gewoon een groot paard.

Een héél groot paard.

En misschien is dat wel het mooie aan herinneringen uit onze jeugd. Ge hoeft toen niet alles te begrijpen om er later met een glimlach aan terug te denken.

Voor mij horen daar onlosmakelijk de veldwegeltjes van mijn dorp bij, de gemeenteschool, de korte broek, de Brabander in de wei, Willem Vermandere op de radio en vooral die woensdagnamiddagen waarop we soms vooraan op de bierkar van Henry mochten zitten.

Dat was toen voor ons geen geschiedenis.

Dat was gewoon het leven.

En daarom: ere wie ere toekomt.

Op 4 oktober 2026 trekken we dus naar de Brielmeersen in Deinze "DAG VAN HET BELGISCH TREKPAARD" om onze prestigieuze viervoeters te bewonderen.


En als ge daar een trekpaard ziet met een machtige nek, stevige benen en een achterwerk waar ge niet naast kunt kijken, denk dan misschien even aan de tijd waarin zulke paarden nog dagelijks door onze dorpsstraten trokken.

En wie weet staat er ergens nog een bierkar.

Mocht ge dan toevallig iemand horen roepen:

“Djuk, djuk, jou djuk mijn peird!”

Dan weet ge dat er ergens nog een klein manneke in korte broek in ons allemaal zit.

HDK 


Klik bovenaan op het pijltje links om naar de HOMEPAGE te gaan

Populaire posts van deze blog

OOSTERZELE : TWEE MEULEMANSEN EN RASECHTE BALEGEMNAREN AAN DE TOP

BOOST-PAKETTEN VOOR OOSTERZEELSE STUDENTEN : OPRECHTE HULP ...?

OM DE TWEE JAAR LATEN DE HARINGETERS HUN HARING LIGGEN OMDAT HEEL BALEGEM BRUIST !

UIT HET ARCHIEF : OVERSPEL IN SCHELDEWINDEKE IN 1617

Rechtstreekse contacten tussen raadsleden en gemeentepersoneel zijn onderwerp van "deontologische code"

OOSTERZELE : DE N42 HET ACHTSTE WERELDWONDER ...?

BRUISEND BALEGEM 2026 MET VIJF PODIA EN NUL EXCUSES OM THUIS TE BLIJVEN...

GEEN STANDBEELD MAAR "TRAGE WEGEN" ALS HERDENKING AAN TWEE BALEGEMSE VROEDVROUWEN...

HEEFT OOSTERZELE STRAKS ZES POLITIEKE PARTIJEN...?

HET VERHAAL VAN DE OORLOGSPILOOT IN BALEGEM